dimanche 22 décembre 2019

23 décembre 2019 - i.m. Raymond Poulidor

Ziehier 8 alexandrijnen ter nagedachtenis van wielerlegende Raymond Poulidor


In memoriam Raymond Poulidor

Bij het heengaan van Poupou voelde ik wat pijn
Hij en ik, wij hadden iets met elkaar gemeen :
ook ik wilde die gele trui als nummer één !
Zo voor hem, zo voor mij : het heeft niet mogen zijn.

Het is zeker niet de grote schuld van Poupou :
er was altijd één iemand voor hem op de fiets.
Voor of op de meet : er scheelde altijd wel iets.
En ik dan ? Welnu, ik kwam nooit aan koersen toe …

22 décembre 2019 - Rorate Coeli


Rorate Coeli desuper et nubes pluant justum
1.       Ne irascaris Domine, ne ultra memineris iniquitatis: ecce civitas Sancti facta est deserta: Sion deserta facta est: Jerusalem desolata est: domus sanctificationis tuae et gloriae tuae, ubi laudaverunt te patres nostri.
2.      Peccavimus, et facti sumus tamquam immundus nos, et cecidimus quasi folium universi: et iniquitates nostrae quasi ventus abstulerunt nos: abscondisti faciem tuam a nobis, et allisisti nos in manu iniquitatis nostrae.
3.       Vide Domine afflictionem populi tui, et mitte quem missurus es: emitte Agnum dominatorem terrae, de Petra deserti ad montem filiae Sion: ut auferat ipse jugum captivitatis nostrae.
4.       Consolamini, consolamini, popule meus: cito veniet salus tua: quare moerore consumeris, quia innovavit te dolor? Salvabo te, noli timere, ego enim sum Dominus Deus tuus, Sanctus Israel, redemptor tuus.

1.       Wees niet boos, Heer, gedenk niet langer onze onrechtvaardigheden en ons kwaad. We zijn verloren zonder U. Zie, de stad waar Gij woont is verlaten, uw geliefde Jeruzalem is een woestenij zonder U. Onze samenleving is ontredderd, mensen krioelen als in een verstoorde mierenhoop door elkaar. Onze stad was – en is – nochtans uw heilige, veilige huis, waar onze voorouders U hebben dank gezegd om uw goedheid.
2.       Wij hebben gezondigd. We zijn onrein, bevuild, bestoft door de lange weg alleen. We zijn als afgevallen bladeren, op een hoopje gewaaid door de storm. Onze ongerechtigheden sleuren ons mee als de wind. We zijn slachtoffer van ons kwaad. En dan zeggen we: ‘Gij hebt uw gelaat voor ons verborgen en Gij hebt ons overgeleverd in de klauwen van ons eigen kwaad.’ Een helse cirkel van wroeging en verdriet.
3.       Heer, zie neer op de neerslachtigheid van uw volk, en zend nu diegene die Gij belooft. Herder, stuur ons een argeloos, broos, kwetsbaar Lam. Zo’n kwetsbaar Lam moet de Koning van de hele wereld worden, van de stad Petra in de woestijn tot in uw eigen stad Jeruzalem. Stuur ons een Lam als Herder. Alleen een weerloos Lam kan het ijzeren juk van schuld, dat op onze schouders drukt, wegnemen.
4.       Troost u, troost u, mijn volk, weldra komt redding, binnenkort. Waarom worden jullie verteerd van smart, waarom laten jullie je opvreten door wroeging? De pijn heeft u toch nieuw gemaakt? Ik zal u redden, wees niet zo bang. Ik ben toch de Heer, uw God, uw Verlosser.

Zondag 1 december. De ganse kerkgemeenschap begint een nieuw liturgisch jaar met de viering van de advent. In deze voorbereidingstijd naar Kerstmis zingt de Kerk het Rorate Coeli, een oud lied dat verlangen naar nieuw leven uitdrukt. De keervers komt uit de profeet Jesaja 45,8 : Dauwt, hemelen, uit de hoge, en laat de wolken de Rechtvaardige regenen. Het hele lied is één gebed om Gods troostende komst. Te midden van ellende komt God naderbij.   
De eerste strofe  is een complete catastrofe. Alles loopt verkeerd in het leven. De ene tegenslag na de andere. Pure ellende. Het lijkt alsof God niet meer van ons houdt, alsof Hij boos is en ons straft. De onuitroeibare interpretatie van lijden als straf van God. En toch zingen wij : Rorate caeli desuper dat wil zeggen « Dauwt hemelen, dauwt ».
De tweede strofe beschrijft een echte depressie. Bij tegenslag krimpen mensen hopeloos in elkaar. Zij trekke, alle schuld op zich. Zij verliezen hun eigenwaarde en zij verliezen dus ook het contact met anderen en met God.  En nog zingen we: Rorate caeli desuper, et nubes pluant justum. Regen ons toch zuiver, Heer.
En nu die derde strofe. In het dieptepunt verandert de zelfkwelling in een gebed om redding. Wij hebben iemand nodig, wij hebben God nodig om de ellende te keren. Stilaan kijken wij weer omhoog. Wij bidden om redding, om een Herder. En wie kan een Herder anders zenden dan een Lam? Koppig zingen wij: Nubes pluant justum. Zend ons iemand die ons onrecht wegdraagt.
De vierde strofe  is Gods onverwachte antwoord, een subtiel verwijt van vergetelheid én een belofte. God is degene die er was, die er is en die er zal zijn. Vergeten? „ Een vreemde zin. Hoe kunnen pijn en verdriet nieuw maken en zuiveren? Kan een smart een wee worden. ‘Smart’ is brute, zinloze pijn. In alle Germaanse talen is wee verbonden met geboortewee. Zou er uit zinloos lijden dan toch iets nieuws geboren kunnen worden? Dankzij God? Ja, God is de Verlosser. En ‘verlosser’ doet onvermijdelijk denken aan vroedvrouw, vroedmens. God verlost. Zo wordt een smart een geboortewee. Och, het is nog maar de eerste zondag van de advent, maar al vóór het putje van de winter wordt Leven beloofd.

22 décembre 2019 - Winter


WINTER

Alle uiterlijke schijn is weg,
naakt sta ik hier een hele winter lang.

Afdalen doe ik
om te schuilen in mijn wortels.

Alles is daar stil,
wachten betekent er
vertrouwen op het leven dat komt.


22 décembre 2019 - 18ème anniversaire de la mort de mon papa

In memoriam Etienne Depuydt (opa)
Rekkem ° 8.8.1921 -  Kortrijk + 22.12.2001

'k Heb gehoord van een stad

'k Heb gehoord van een stad boven wolken,
boven aardse benevelde landen,
'k heb gehoord van de zonlichte stranden,
en ook eens is daar boven mijn thuis.
Alleluia moet mijn ziele zingen
alleluia ik reis naar die stad toe,
ook al is hier mijn weg soms vermoeiend,
maar het gaat naar omhoog en naar huis.

'k Heb gehoord van een stad zonder tranen,
zonder nood, zonder angst, zonder strijden,
waar ik nooit meer van ziekte zal lijden,
en ik weet dat ik eens daar zal zijn.
Alleluia daar juichen wij allen,
alleluia en twijfel verdwijnt daar,
daar ik nooit meer zal struik'len of vallen,
ik ben thuis, ik ben thuis bij mijn Heer.

'k Heb gehoord van de sneeuwwit gewaden,
en van gouden, ja schitt'rende kronen,
'k heb gehoord Gods geslacht zal daar wonen,
en ook eens is mijn wens daar te zijn.
Alleluia 't doet mijn geest verheugen,
'k hoor gezangen van hemelse vreugde,
dit ontrekt mij aan al aardse banden,
en ook eens is mijn wens daar te zijn.

Voici comment j’ai traduit ce très beau chant (pour funérailles) :

On m’a parlé d’une cité au-dessus des nuages
on m’a parlé des merveilleuses plages
bien au-dessus des pays nébuleux,
c’est là que m’attend un habitat si merveilleux.
Alleluia ô mon âme chante les adages
alleluia vers la cité je pars en voyage,
mon chemin est fatiguant et peu aisé
mais il monte, il monte vers ma destinée.

On m’a parlé d’une cité sans larmes
sans envies, sans peur et sans armes
où il n’y a plus jamais de quoi souffrir.
oui, je sais qu’un jour la porte va s’ouvrir.
Alleluia nous allons tous y jubiler
alleluia plus d’hésitation, tout y est vérité
je ne trébucherai plus comme sur terre
je serai chez moi, dans la maison du Père

On m’a parlé de vêtements tout blanc
et de chandeliers dorés et luisants
on m’a parlé de la demeure des élus de Dieu
un jour j’y serai, tel est mon plus grand vœu.
Alleluia mon âme s’élance vers le pays du miel
j’entends les cantiques remplies de joie du ciel
tout cela m’invite à couper ici-bas tous les liens
je sais que là-haut, j’y serai bien. 

14 décembre 2019 - homélie pour les funérailles de K (18 ans) à Enghien


Homélie pour les funérailles de K. (18 ans)

L’évangile que nous venons de proclamer semble bien étrange pour une célébration de funérailles. Mais cette parabole de l’Evangile de Luc pourrait nous faire penser à K., dans le personnage de la petite veuve. Cette petite veuve est outrée par l’attitude du juge. Elle voudrait tant que le mauvais juge lui fasse justice. Elle ne cessera pas de crier jusqu’à ce qu’elle ait obtenu gain de cause.  Nous connaissions les cris de K. devant les injustices et les mauvais comportements, devant les aléas de la vie et du monde. Les cris de K. ont cessé le 4 décembre.

Nous accueillons K. ce matin dans une église, pour faire mémoire de sa vie. Et l’église est un lieu qui s’y prête. Ici nous pouvons nous asseoir auprès de K. L’église un lieu sacré, un lieu sanctifié par la présence de Jésus, un lieu imprégné de la prière de générations de chrétiens. C’est un lieu public qui accueille jeunes et moins jeunes, croyants et non croyants, baptisés et non baptisés. C’est aussi un lieu d’espérance. La tour d’une église est comme un doigt qui indique le ciel et qui invite à regarder plus haut, plus loin.

Ici nous prenons le temps de forger dans le sanctuaire de notre mémoire les bons moments de sa vie. Nous essayons de forger l’image que nous voulons garder de lui : un enfant formidable qui a géré pas mal de choses, très mature et entreprenant. Sa maman a utilisé une belle image : tourné d’abord vers les autres et serviable, prenant sur lui les soucis des autres, il était comme une éponge. Il aurait bien refait le monde, mais il s’est rendu compte que ce n’était pas possible.

K., tu n’as pas attendu que soient tournées les pages que nous voulions écrire ensemble. Tu as décidé de t’en aller à l’aube de ta vie d’adulte. Mais ton idéalisme, ta soif de justice, ton rêve d’un monde d’amour, ont fait que tu n’étais peut-être pas créé pour ce monde d’adultes.
K., tu t’en vas et tu n’as pas attendu la fin de l’hiver pour vivre le printemps prochain. Tu quittes l’hiver de ce monde pour vivre un printemps ailleurs.
K., tu t’en vas et tu n’as pas attendu le temps de la moisson, le temps de récolter ce qu’ensemble nous avions semé durant ces dix-huit années.
K., tu n’as pas attendu que nous ayons grandi et mûri avec toi. Tu n’as peut-être pas su te réconcilier avec les blessures de ce monde. Tu te savais toi-même blessé par le manque d’amour et le manque de partage.

Saint Jean apôtre dans sa première lettre nous dit : « Tel est le message que nous avons entendu de Jésus Christ et que nous vous annonçons : Dieu est lumière. En lui, il n’y a pas de ténèbres. »

K., tu es maintenant dans cette lumière qu’est Dieu. Qu’il n’y ait plus de ténèbres en toi. Et que tes proches et tous ceux qui t’aiment mettent en pratique le message que tu leur laisses. Et construisons ensemble un monde meilleur où il y a de la place pour tous les K. du monde. Amen.

21 décembre 2019 - trois figures du temps de l'avent


Trois figures du temps de l’avent.

Le prophète Isaïe : Il ne faut jamais perdre l’espérance
Tout au long de ce temps liturgique de l’Avent, l’Eglise se nourrit des textes de ce prophète. C’est lui qui annonce ce qui adviendra. Il jette un regard sur l’avenir et nous invite à changer notre regard. Et il est conscient que l’avenir que Dieu nous donne ne se limite pas à nos plus folles attentes. L’œuvre de Dieu dépasse de loin tout ce que les hommes peuvent faire ou même imaginer. Isaïe regarde comme un prophète. Il se libère des cadres étroits de ses propres pensées. Il sait que Dieu est Maître de l’avenir. Et ce Dieu promet la paix. Sa Paix à Lui, non celle des hommes. Le loup habite avec l’agneau et le nourrisson s’amuse sur le nid du cobra. (Is 11,6-8). C’est l’amour de Dieu qui fera cela. (Is 9,6)
Et nous aurons un signe de cette Paix de Dieu. Alors voici encore Isaïe : Vous refusez de voir le bien et la parole nouvelle, vous ne voulez pas l’entendre. Ne vous suffit-il pas de fatiguer les hommes que vous en veniez à fatiguer mon Dieu ? C’est donc le Seigneur Lui-même qui va vous donner un signe. Voici : la jeune fille est enceinte et va enfanter un fils qu’elle appellera Emmanuel, Dieu-avec-nous ». (Is 7,14)
Le précurseur Jean Baptiste : Il faut se faire petit
Jean-Baptiste est très présent dans la liturgie de l’Avent. C’est à lui qu’il a été donné de découvrir le Messie et de le désigner du doigt : Voici l’Agneau de Dieu. (Jn 1,36) S’il a trouvé le Messie, c’est qu’il s’est d’abord converti. Il a purifié son cœur par le silence, la solitude et le jeûne. Il est parti au désert, ce lieu de conversion, ce lieu où l’on ne peut tricher.
Dieu ne peut entrer chez nous, si nous ne sommes pas vides de nous-mêmes, si nous occupons toute la place. Si notre moi reste le centre, Dieu est refoulé à la périphérie de notre existence. Si nous nous prenons nous-mêmes pour le soleil, Dieu est réduit au rang de satellite.
Mais c’est là le monde à l’envers. Car Dieu est le soleil, nous sommes tout au plus une de ses planètes. Chercher la dernière place, celle du plus petit, voilà le secret de Jean. « Il faut qu’Il grandisse et que moi, je diminue. » (Jn 3,30)
 Pour diminuer, Jean prie. La prière le transforme en enfant, en serviteur devant Dieu. Il jeûne car le jeûne libère le cœur et fortifie le corps. Il confesse ses péchés et nous invite à faire autant. Ainsi il est devenu un homme libre, abandonné, un pauvre de Dieu. Il s’est fait tout petit : il a voulu tout perdre pour gagner tout. Et le peu qui lui reste – sa vie même – lui sera enlevé. Jean Baptiste va mourir sans éclat, dans la pénombre d’un cachot, victime du caprice d’un Hérode ivre.
Nous sommes invités à imiter saint Jean Baptiste : le suivre dans le silence et la prière, dans le jeûne et la conversion, dans sa vie et jusque dans sa mort. Et il nous faut, nous aussi, diminuer pour que Jésus grandisse en nous.


La Vierge Marie : Apprendre le regard de Marie
Qui veut voir Dieu, devra apprendre à regarder sans vouloir posséder. Il devra regarder avec les yeux du cœur et dire un joyeux oui comme Marie : « Qu’il me soit fait selon ta parole. » (Lc 1,38) Marie regarde l’enfant Jésus avec les yeux de son cœur. Son regard est clair, il est tout pur, transparent comme son corps tout entier. Dans ses yeux il y a le reflet parfait du ‘oui’ qui habite son cœur depuis l’Annonciation. Marie ne regarde pas pour prendre son Enfant, elle s’abandonne à Lui.
Le vrai regard est remise de soi à l’autre. Un regard oblatif qui ne prend rien pour soi. C’est ainsi que Marie regarde son enfant. C’est ainsi qu’elle nous regarde.